
De oorsprong van de kip ligt in zuidoost-Azië of China. In die streken zijn namelijk vondsten gedaan van gedomesticeerd pluimvee uit de periode tussen 4000 en 6000 jaar geleden. Via Mesopotamië en Griekenland is de kip in Europa terecht gekomen. Rond het begin van onze jaartelling waren de oude Egyptenaren al in staat om in grote houtgestookte broedovens circa 6000 eieren uit te broeden. Uit deze eieren kwamen dan zo'n 3 à 4 duizend kuikens. Deze vaardigheid van de Egyptenaren is verloren gegaan en pas in onze tijd weer herontdekt.
In Noordwest Europa is de kip vermoedelijk rond 200 v Chr. geïntroduceerd door de Romeinen die al ver voor de jaartelling pluimvee hielden. De kippen en hanen die door de Romeinen gehouden werden hadden zowel betekenis als voedsel (eieren en kippenvlees) maar werden ook gebruikt in hanengevechten. Tevens hadden ze een rol bij religieuze gebeurtenissen.
Karel de Grote (742-814) bepaalde dat op grote boerenhoeven 200 hoenders gehouden moesten worden en op kleine 50. Het betrof ‘gewone hoenders', sierhoenders mochten alleen op de adellijke hoven gehouden worden. Verschil moest er zijn!
In ons land was rond het jaar 1000 het in bezit hebben van pluimvee een voorrecht van de adel en kloosters. Het betrof toen vooral sier- en vechthoenders.
In de tweede helft van de negentiende eeuw wordt het houden van kippen op de boerderijen een algemene landbouw activiteit. Voor het eerst gaat men ook statistieken bijhouden. In 1870 blijkt de pluimveestapel al 1.853.000 stuks groot, om in 1900 te zijn uitgebreid tot maar liefst 4.343.000 stuks.
Deze kippen hadden een bruin leventje. Er werden geen aparte hokken voor ze gebouwd, ze sliepen op wat stokken in de koestal en moesten het grootse deel van hun kostje zelf zien te vinden in de omgeving van de stallen.
In het begin van de 20ste eeuw zien we de opkomst van de zogenaamde hoenderparken. Zo'n hoenderpark bestond uit een ruim kippenhok voor 250 tot 400 dieren, en er omheen een zeer ruime uitloop, die, ‘afgegaasd' was, voor die tijd een novum. Deze hoederparken kenden een grote bloeitijd. Ook de pluimvee-rassen werden verbeterd. Tal van regionale rassen ontstonden en ook internationaal vond er uitwisseling van fokmateriaal plaats. Bekende in die tijd ontwikkelde kippenrassen zijn de "Barnevelder en de Welsumer", uit respectievelijk Barneveld en Welsum. (Dit waren voor die tijd zeer productieve kippen met wel 250 eieren per kip per jaar, wat tegen de ruim 300 eieren per jaar van nu, helemaal zo gek niet is)
Drie keer heeft men in de 20ste eeuw de legbatterij proberen te introduceren in Nederland, wat pas na de derde poging (in de jaren 50) op grote schaal navolging vond. Voor die tijd was men de mening toegedaan dat het de kippen niet mocht ontbreken aan licht, lucht en ruimte.
© 2008 Grote Kamp. Alle rechten voorbehouden.
Design & implementatie door Buro Laga. Website maakt gebruik van whCMS. Geldige XHTML en CSS
Database queries: 11
Script timer: 0.056120 seconds.
Geldige XHTML en CSS